1.1 Deelnemers een goed inzicht geven in hun pensioen
We vinden het belangrijk dat onze deelnemers zich bewust zijn van hun pensioensituatie. En dat ze weten hoe we voor een zo goed mogelijk pensioen zorgen. Bewustwording start met goede communicatie. Daar besteden we dan ook veel aandacht aan. Net zoals in de voorgaande jaren was de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel onder de Wet toekomst pensioenen ook dit jaar een belangrijk onderwerp, dat duidelijk terugkomt in onze communicatie richting deelnemers.
Hieronder beschrijven we wat er in 2025 voor de deelnemers veranderde in de pensioenregeling. Ook geven we inzicht in ons financieel beleid en wat daarvan het resultaat was.
1.1 Aanpassingen in de pensioenregeling
In 2025 zijn enkele aanpassingen in de pensioenregeling doorgevoerd, waaronder:
- Een verkorte procedure voor het indienen van klachten;
- De verduidelijking dat bij uitdiensttreding met een partner zowel het ouderdomspensioen als het aanvullende partnerpensioen worden omgezet in een levenslang partnerpensioen;
- De periodieke herijking van de factoren en de actualisering van de tarieven en premies voor 2026.
Ook actualiseerden we - zoals elk jaar - de franchise, het maximaal pensioengevend salaris en de factoren behorende bij de flexibiliseringsmogelijkheden. De franchise steeg van 17.545 euro naar 18.528 euro. Het maximaal pensioengevend salaris van 137.800 euro bleef gelijk.
Meer informatie over onze pensioenregeling staat op onze website: www.uwvpensioen.nl.
1.2 Op weg naar de nieuwe regels voor pensioen
Per 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen (Wtp) in werking getreden. De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is de grootste en meest ingrijpende hervorming uit de geschiedenis van het Nederlandse pensioenstelsel. De overgang raakt alle onderdelen van onze pensioendienstverlening, waaronder onze pensioenadministratie en -systemen, het vermogensbeheer en de communicatie met onze deelnemers.
Uiterlijk 1 januari 2028 moeten de sociale partners en de pensioenfondsen de pensioenregeling hebben aangepast aan de nieuwe wettelijke eisen. De uiterste datum was 1 januari 2027, maar de wetgever heeft in december 2025 de uiterste datum aangepast naar 1 januari 2028. Ons fonds moet voor deze datum voldoen aan de Wtp. Nieuwe pensioenopbouw kan vanaf dan alleen plaatsvinden volgens de nieuwe wetgeving.
Het bestuur ontving eind december 2024 van de sociale partners het getekende transitieplan. In het transitieplan staan de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe pensioenregeling, een solidaire premieregeling. In het transitieplan staat verder:
- Het verzoek aan ons fonds om de opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten in te varen.
- Op welke wijze het vermogen wordt verdeeld op het transitiemoment bij verschillende dekkingsgraden (voorrangsregels).
- Hoe de financiering van de compensatie voor de afschaffing van de doorsneepremie wordt vormgegeven.
- Op welke wijze de bijzondere regelingen worden omgezet naar de nieuwe pensioenregeling.
Het bestuur heeft het transitieplan (en de nieuwe pensioenregeling) in 2025 beoordeeld op uitvoerbaarheid en evenwichtigheid. Ook is beoordeeld of het transitieplan voldoet aan wet- en regelgeving. Gebleken is dat er uiteenlopende zienswijzen waren tussen ons fonds en sociale partners over hoe de transitie (met name de verdeling van het vermogen bij invaren) zo evenwichtig mogelijk kan worden vormgegeven. In januari 2026 hebben beide partijen hierover overeenstemming bereikt. Eind januari 2026 heeft ons fonds een addendum (aanvulling) op het transitieplan van sociale partners ontvangen en in februari 2026 verdere gesprekken gevoerd.
Op basis van het definitieve transitieplan werkt het bestuur in 2026 een implementatieplan uit. Hierin staat onder meer:
- Welke stappen ons fonds gaat zetten om tot de uitvoering van de nieuwe pensioenregeling te komen. Hierbij verantwoordt het ons fonds de kosten, de risico's en hoe die te beheersen.
- Hoe ons fonds de nieuwe pensioenregeling gaat uitvoeren.
- Hoe ons fonds over de nieuwe regeling en de transitie gaat communiceren. Hiervoor stelt ons fonds een apart communicatieplan op, dat onderdeel is van het implementatieplan.
Het implementatieplan draagt bij aan een zorgvuldig en transparant implementatietraject. Ons fonds moet het implementatieplan uiterlijk 12 maanden voor de beoogde transitiedatum indienen bij DNB. Onze pensioenuitvoeringsorganisatie, TKP, heeft aangegeven dat de eerder beoogde transitiedatum van 1 januari 2027 voor hen niet haalbaar is vanwege het aantal klanten dat die datum overgaat en de omvang van die klanten. Hierdoor is er geen capaciteit om alle klanten die van plan waren over te gaan op 1 januari 2027 ook beheerst over te brengen naar de nieuwe regelingen. De sociale partners hebben, mede gezien de nog lopende afstemmingen, in overleg met het bestuur besloten 1 januari 2028 als nieuwe transitiedatum vast te stellen. Volgens de huidige planning wordt het implementatieplan uiterlijk in het derde kwartaal van 2026 ingediend bij DNB .
Vooruitlopend op het indienen van het implementatieplan heeft ons fonds, mede op verzoek van De Nederlandsche Bank (hierna DNB) gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van twee deelplannen:
1. Datakwaliteit. Dit is ingediend in mei 2025. In oktober 2025 heeft DNB een paar vragen hierover gesteld, die in december 2025 zijn beantwoord. In februari 2026 heeft het bestuur een terugkoppeling ontvangen, waarbij DNB stelt geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de borging en zekerstelling van de datakwaliteit voor de transitie en dat ons fonds aannemelijk heeft gemaakt dat het voldoet aan de relevante wettelijke eisen.
2. Risicohouding in de nieuwe regeling. Op basis van het uitgevoerde onderzoek naar de risicovoorkeuren van onze deelnemers (2023), hebben we in 2025 een risicohouding vastgesteld. In de nieuwe regeling moet het uiteindelijke risicoprofiel van het beleggingsbeleid en de overige beleidsregels, zoals bijvoorbeeld inzet van de solidariteitsreserve en de vormgeving van het uitkeringsbeleid binnen deze risicohouding passen. De vastgestelde risicohouding is ingediend in oktober 2025. In februari 2026 heeft DNB hierop gereageerd met een brief waarin drie bevindingen zijn geconstateerd. DNB geeft aan dat deze bevindingen naar verwachting geen materiële impact zullen hebben op de beoordeling van de invaarmelding.
Tot slot hebben we in 2025 de volgende activiteiten uitgevoerd, die deels in 2026 hun vervolg krijgen:
- Uitwerken van het evenwichtig vormgeven van de transitie naar de nieuwe regeling. Dit moet, na lopende afstemmingen met de sociale partners, in 2026 resulteren in een implementatieplan en een aanvaarding van de opdracht van de sociale partners.
- Samen met de sociale partners werken we het transitieplan uit in een pensioenreglement
- Uitvoeren van het project datakwaliteit (zie volgende paragraaf)
- Het beleggingsbeleid voor de nieuwe regeling is opgezet. Dit is gebaseerd op het hierboven vermelde onderzoek naar de risicovoorkeuren van onze deelnemers en de doelstellingen die zijn opgenomen in het transitieplan van de sociale partners.
- Uitvoeren van het project Ketenintegratie. In dit project zijn eenduidige afspraken gemaakt tussen ons fonds en de belangrijkste uitbestedingspartijen van ons fonds. Een deel van de afspraken gaat over de benodigde informatiestromen met betrekking tot beleggingen en rendementen. Een ander deel gaat over de onderlinge verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de nieuwe pensioenregeling.
- Monitoring door ons fonds van de voortgang van de implementatie van de Wtp bij de uitbestedingspartijen. Zo wilt ons fonds op tijd de knelpunten ontdekken en oplossen en de kosten van de implementatie beheersen.
Op onze website hebben we een themapagina over het nieuwe pensioenstelsel (www.uwvpensioen.nl/nieuw-pensioenstelsel). Daar is alle informatie te vinden over de status van het Wtp proces. Verder informeren we via digitale nieuwsbrieven, mailings en webinars.
Transitie-FTK
Vanaf 1 juli 2023 geldt er een nieuwe overgangswet voor pensioenfondsen: het transitie-FTK. Deze wet hoort bij de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Het transitie-FTK bepaalt wat een pensioenfonds moet doen als de dekkingsgraad bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel te laag is. In het transitie-FTK zijn ook soepelere regels opgenomen voor de jaarlijkse verhoging van de pensioenen. En strengere regels bij een te lage dekkingsgraad. De pensioenen moeten dan eerder verlaagd worden. Pensioenfondsen mogen zelf kiezen of ze gebruik maken van deze overgangswet.
Volgens de pensioenwet mocht een pensioenfonds dat op 1 juli 2025 geen implementatieplan heeft ingediend bij de toezichthouder, geen gebruik maken van deze overgangswet. De datum 1 juli 2025 was echter nog gerelateerd aan de uiterste datum voor de overgang naar de nieuwe Wtp-regeling van 1 januari 2027. De Minister heeft begin 2025 toegezegd deze uiterste datum uit te gaan stellen naar 2028. Door de politieke discussies over de Wtp is de wetgeving (wet en Algemene Maatregel van Bestuur – hierna AMvB) die dit mogelijk maakte echter pas van kracht geworden op 10 december 2025. In de AMvB is voor fondsen die na 1 juli 2026 overgaan naar de nieuwe Wtp-regeling bepaald dat als een pensioenfonds uiterlijk 12 maanden voor de beoogde overgangsdatum geen implementatieplan heeft ingediend bij DNB voor dat jaar en de daaropvolgende jaren geen gebruik kan worden gemaakt van het Transitie-FTK.
Omdat bovenstaande wetgeving lang op zich liet wachten heeft de Minister in juni 2025 via een derde indexatie-AMvB het toch weer mogelijk gemaakt voor fondsen om voor de jaarlijkse pensioenverhoging de versoepelde regels te hanteren, die eerder ook van kracht waren voor de pensioenverhogingen van 1 januari 2022, 2023 en 2024.
Voor ons fonds betekende het bovenstaande dat wij in 2025 (tot 12 december) niet konden kiezen om wel of niet gebruik te maken van het transitie-FTK. Voor het kunnen toepassen van de versoepelde regels voor het verhogen van de pensioenen was dat ook niet meer nodig, omdat wij gebruik hebben gemaakt van de derde indexatie-AMvB. Zie voor de pensioenverhoging paragraaf 1.3.2.
Datakwaliteit
Volgens de wet moet ons pensioenfonds bewijzen dat de kwaliteit van gegevens voor, tijdens en na de overgang goed is geregeld. Hoewel ons pensioenfonds altijd veel aandacht besteedt aan juiste en volledige gegevens in de pensioenadministratie, zijn er in 2023 en 2024 extra acties uitgevoerd om dit duidelijk te maken en te verbeteren. Hierbij gebruikten we het Kader Datakwaliteit van de Pensioenfederatie als hulpmiddel. Bij dit project zijn verschillende specialisten (sleutelfunctiehouders risicobeheer, actuarieel en interne audit) betrokken. Zij hebben hierover hun mening aan het bestuur gegeven.
Op basis van de uitgevoerde analyses heeft het bestuur begin 2025 het plan van aanpak datakwaliteit ‘wordt schoon’ en ‘blijf schoon’ goedgekeurd om de datakwaliteit verder te verbeteren. Dit plan bestaat uit twee fases:
- De fase ‘wordt schoon’ bevat extra werkzaamheden om de pensioengegevens te controleren en waar nodig te verbeteren. Deze fase loopt door tot halverwege 2026.
- De fase ‘blijf schoon’ bevat maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van gegevens goed blijft tot de overgang. Deze fase loopt dan ook door tot eind 2027.
Onze externe accountant is gevraagd om te onderzoeken of wij het onderzoek naar de kwaliteit van onze pensioengegevens goed hebben uitgevoerd volgens het Kader Datakwaliteit. De accountant werkt volgens een standaard aanpak (werkprogramma Datakwaliteit – Wtp) van accountants (NBA) en IT-auditors (NOREA). Het rapport van de accountant is in 2025 ontvangen. Op basis van onder andere de beoordeling van dit rapport en de terugkoppeling van DNB, heeft het bestuur beoordeeld dat de datakwaliteit van voldoende niveau is om op de beoogde transitiedatum tot invaren over te kunnen gaan. Dit met als uitgangspunt dat het hierboven genoemde plan van aanpak datakwaliteit dan is afgerond.
1.3 Financieel beleid
Ons financieel beleid heeft drie pijlers: het premiebeleid, het beleggingsbeleid en het beleid voor het verhogen en verlagen van de pensioenen. Ons financieel beleid is afgestemd op onze risicohouding, die we samen met de sociale partners bepalen. We toetsen ons financieel beleid elk jaar met de haalbaarheidstoets. DNB schrijft dit voor. Zie paragraaf 3.3.3 voor onze risicohouding en de uitkomst van de haalbaarheidstoets.
Elke drie jaar toetsen we de evenwichtigheid van ons financieel beleid met een Asset Liability Management-studie (ALM-studie). In 2023 deden we dit voor het laatst. We beoordeelden het premiebeleid, het beleggingsbeleid en ons beleid voor het verhogen en verlagen van de pensioenen in onderlinge samenhang. We keken per leeftijdsgroep naar de uitwerking van ons financieel beleid op de pensioenresultaten. Dit deden we voor deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. De ALM-studie richtte zich op het huidige pensioenstelsel. Daarnaast is het belangrijk om rekening te houden met de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.
We keken naar een periode van vijf jaar – als de periode tot de overgang naar een nieuw pensioenstelsel – en vijftien jaar vooruit. Van tevoren besloten we: als het verschil tussen de leeftijdsgroepen meer dan 5 procent is, heroverwegen we de beleidsvarianten. Het pensioenresultaat is het uitgangspunt voor een evenwichtige belangenafweging bij het beoordelen van alternatieve beleidsvarianten. Het doel van deze beoordeling is te bepalen of er groepen deelnemers zijn die onevenredig benadeeld worden en of resultaten van groepen ten koste gaan van andere groepen deelnemers. De resultaten van de ALM-studie bleven ruim binnen deze marge. We beschouwen daarom de totale financiële opzet van ons fonds als evenwichtig.
In verband met de transitie naar de nieuwe pensioenregeling is in 2024 ons beleid voor de renteafdekking, onderdeel van het beleggingsbeleid aangepast. Zie paragraaf 2.1.4. In 2026 voeren we weer een nieuwe ALM-studie uit.
1.3.1 Premiebeleid
1.3.1 Premiebeleid
Ons premiebeleid staat beschreven in onze actuariële en bedrijfstechnische nota (Abtn) en wijzigde niet in 2025. De Abtn staat op onze website (zie: www.uwvpensioen.nl/juridische-informatie-en-beleid).
Premiebesluit
In 2025 was de premie 18,3 procent. Deze premie is opgenomen in de cao van UWV. Daarmee konden we het maximale opbouwpercentage van 1,738 procent financieren. Om ook in 2026 het maximale opbouwpercentage van 1,738 procent te behouden, stelde het bestuur de gedempte kostendekkende premie voor 2026 vast op 18,3 procent.
Premie-egalisatiereserve
Eind 2024 was de premie-egalisatiereserve nul. De feitelijke premie 2025 was gelijk aan de gedempte kostendekkende premie 2025, waardoor er geen toevoeging of onttrekking plaatsvond aan de premie-egalisatiereserve. Eind 2025 was de reserve dus nog steeds nul.
1.3.2 Beleid verhogen en verlagen pensioenen
1.3.2 Beleid verhogen en verlagen pensioenen
Wij hanteren een voorwaardelijke toeslagverlening. Ons beleid voor het verhogen en verlagen van pensioenen staat in onze Actuariële en Bedrijfstechnische Nota (Abtn). De Abtn staat op onze website.
Verhoging per 1 januari 2025
In 2024 was de versoepelde toeslagverlening op basis van de AMvB niet meer van toepassing. De versoepelde toeslagverlening is vanaf 2024 voor pensioenfondsen alleen nog mogelijk door gebruik te maken van het transitie-Financieel Toetsingskader (transitie-FTK). Ons pensioenfonds heeft besloten om in 2024 geen gebruik te maken van het transitie-FTK. Daardoor is het bestuur gehouden aan het toeslagbeleid van ons fonds en de wet. Volgens de wet mogen we pas toeslag verlenen als onze beleidsdekkingsgraad 110 procent of hoger is. Bij toeslag verlenen moeten we rekening houden met de toekomst, want we moeten de toeslag ook in de toekomst kunnen financieren. In het toeslagbeleid staat wanneer we de pensioenen kunnen verhogen. De beleidsdekkingsgraad is daarbij leidend.
Gedeeltelijke toeslagverlening mag als de beleidsdekkingsgraad hoger is dan 110 procent en lager dan de grens voor volledige toeslag. Die ondergrens voor volledige toeslag stellen we elk jaar vast, zoals de Pensioenwet voorschrijft. Het bestuur neemt jaarlijks een besluit over het verlenen van toeslag. Daarvoor baseert het bestuur zich op de financiële positie van eind september. De beleidsdekkingsgraad op 30 september 2024 was 120,4 procent. De ondergrens voor volledige toeslagverlening was per die datum 140,6 procent. Dat betekent dat de toeslagmaatstaf gedeeltelijk toegekend kon worden. Het bestuur besloot de opgebouwde aanspraken voor actieven met 3,26 procent te verhogen en de ingegane pensioenen en premievrije aanspraken voor de pensioengerechtigden en slapers met 1,0 procent. Dit was voor beide groepen 39,68 procent van hun toeslagmaatstaf. Voor de actieven is dat de loonindex. Die was gebaseerd op de verhoging van de cao-lonen in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024. Dit was 8,24 procent. Voor de ingegane pensioenen en premievrije aanspraken was dit de ontwikkeling van de prijsindex CPI-afgeleid in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024. Dit is 2,54 procent.
Verhoging per 1 januari 2026
Per 1 januari 2026 zijn de pensioenen verhoogd met 3,25 procent voor de actieve deelnemers en met 3,16 procent voor de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Dit is de maximaal toegestane verhoging. Hierbij is gebruik gemaakt van versoepelde regels voor de verhoging van de jaarlijkse pensioenen. Dit was mogelijk doordat in juni 2025 de derde indexatie-AMvB van kracht geworden is. Zonder deze AMvB hadden wij de pensioenen maar gedeeltelijk mogen verhogen. Voor actieve deelnemers met 1,22 procent en voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden met 1,18 procent.
We hebben goed gekeken of dit besluit vanuit het belang van alle groepen van ons pensioenfonds is genomen (iedereen die werkt en dus pensioen opbouwt, gepensioneerden, oud-medewerkers die nog niet met pensioen zijn, overige groepen). Daarbij is ook gekeken naar de generatie-effecten. We keken ook naar hoe dit besluit aansluit bij de verhogingen over voorgaande jaren. Een voorwaarde voor het gebruik maken van de AMvB is dat de sociale partners hebben aangeven dat zij van plan zijn om de al opgebouwde pensioenaanspraken in te brengen in de nieuwe pensioenregeling. De sociale partners hebben het bestuur in het transitieplan gevraagd dit te doen. (zie paragraaf 1.2).
Bij het besluit om de pensioenen te verhogen houden we ook rekening met de financiële positie van ons fonds. Door de verhoging nemen de verplichtingen toe. Daardoor neemt de dekkingsgraad van ons fonds af. Er is dan minder vermogen te verdelen op het moment dat we overgaan naar de nieuwe regeling. Het bestuur wil voldoende financiële middelen overhouden voor een beheerste overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Ondanks de verhoging blijft de dekkingsgraad boven de vereiste dekkingsgraad van ons fonds .
Onvoorwaardelijke pensioenverhoging
Voor de ex-Cadans-deelnemers geldt een uitzondering. Dit zijn deelnemers met een ingegaan pensioen of premievrij recht van vóór 1996. Deze groep heeft recht op een onvoorwaardelijke pensioenverhoging gebaseerd op de CPI-afgeleid. De werkgever financiert deze onvoorwaardelijke pensioenverhoging. De CPI-afgeleid kwam eind september 2025 uit op 3,16 procent. Het pensioen van deze deelnemers is dan ook per 1 januari 2025 verhoogd met 3,16 procent.
1.3.3 Beleggingsbeleid
1.3.3 Beleggingsbeleid
Ons beleggingsbeleid lichten we in paragraaf 2.1 toe. Daar besteden we aandacht aan ons strategisch beleid, de samenstelling van onze beleggingsportefeuille, maatschappelijk verantwoord beleggen en de beleggingsrendementen in 2025.
1.4 Financiële positie en financiële resultaten
1.4.1 Dekkingsgraad
1.4.1. Dekkingsgraad
De dekkingsgraad geeft aan hoe we er financieel voorstaan. Het bestuur baseert zijn beleid op de beleidsdekkingsgraad. De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde van de actuele dekkingsgraden van de laatste twaalf maanden. Op 31 december 2025 was onze beleidsdekkingsgraad 121,9 procent (op 31 december 2024: 119,5 procent).
In 2025 steeg de actuele dekkingsgraad van 117,3 procent naar 124,5 procent. De tabel hieronder toont de ontwikkeling van de actuele dekkingsgraad en van de beleidsdekkingsgraad in 2025.
| Ontwikkeling van de dekkingsgraad | Actuele dekkingsgraad | Beleidsdekkingsgraad |
|---|---|---|
| dec-24 | 117,30% | 119,50% |
| jan-25 | 118,80% | 119,60% |
| feb-25 | 118,50% | 119,50% |
| mrt-25 | 118,60% | 119,50% |
| apr-25 | 116,40% | 119,10% |
| mei-25 | 119,50% | 119,00% |
| jun-25 | 121,60% | 118,90% |
| jul-25 | 123,10% | 119,20% |
| aug-25 | 123,80% | 119,40% |
| sep-25 | 124,50% | 119,80% |
| okt-25 | 126,10% | 120,50% |
| nov-25 | 127,50% | 121,30% |
| dec-25 | 124,50% | 121,90% |
Naast de actuele dekkingsgraad en de beleidsdekkingsgraad bepalen we elk kwartaal de vereiste dekkingsgraad. Dit is de dekkingsgraad die we moeten hebben om tegenslagen op te kunnen vangen. Eind 2025 was onze vereiste dekkingsgraad 115,2 procent (2024: 115,5 procent). In de risicoparagraaf van de jaarrekening (paragraaf 6.4.3) staat hoe we de vereiste dekkingsgraad berekenen.
Aan het eind van elk jaar berekenen we onze minimaal vereiste dekkingsgraad. Dit is de minimale dekkingsgraad die we van De Nederlandse Bank (DNB) moeten hebben. Eind 2025 was onze minimaal vereiste dekkingsgraad 104,3 procent (2024: 104,3 procent). De actuele dekkingsgraad en de beleidsdekkingsgraad waren eind 2025 hoger dan de minimaal vereiste en de vereiste dekkingsgraad.
Rol en bevindingen van de certificerend actuaris
De certificerend actuaris stelt elk jaar vast of we voldoen aan de eisen van de artikelen 126 tot en met 140 van de Pensioenwet. De belangrijkste bevindingen van de certificerend actuaris zijn:
- De technische voorzieningen zijn, overeenkomstig de beschreven berekeningsregels en uitgangspunten, als geheel bezien, toereikend vastgesteld.
- Het eigen vermogen is hoger dan het wettelijk vereist eigen vermogen.
- De beleidsdekkingsgraad op balansdatum is hoger dan de vereiste dekkingsgraad.
- Omdat het aanwezige eigen vermogen hoger is dan het vereist eigen vermogen, is de vermogenspositie op de balansdatum voldoende. Daarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheden tot het verlenen van toeslagen bij deze vermogenspositie beperkt zijn.
Oordeel van de certificerend actuaris over de financiële positie
In de actuariële verklaring oordeelt de certificerend actuaris dat we voldoen aan de artikelen 126 tot en met 140 van de Pensioenwet.
1.4.2 Financiële resultaten 2025
1.4.2 Financiële resultaten 2025
De tabel hieronder laat zien welke factoren het eigen vermogen, en dus de actuele dekkingsgraad, beïnvloedden en in welke mate.
| Eigen vermogen | Actuele dekkingsgraad | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| 2025 | 2024 | 2025 | 2024 | ||
| Stand 1 januari (bedragen x 1 miljoen euro) | 1.365,24 | 1.214,00 | 117,3% | 116,6% | |
| Premieresultaat | 7,15- | 68,92 | -0,6% | 0,4% | |
| Resultaat wijzigingen rentetermijnstructuur (RTS) | 1.139,91 | 123,57- | 19,8% | -1,9% | |
| Beleggingsresultaat (inclusief renteafdekking) | 536,63- | 415,97 | -8,7% | 4,9% | |
| Resultaat wijziging grondslagen | 9,11- | 44,38- | -0,2% | -0,7% | |
| Resultaat toeslagverlening | 216,76- | 152,96- | -3,9% | -2,4% | |
| Overige resultaten | 14,20 | 12,74- | 0,8% | 0,4% | |
| Stand 31 december | 1.749,70 | 1.365,24 | 124,5% | 117,3% | |
Hieronder lichten we de verschillende resultaten verder toe.
| Premieresultaat (bedragen x 1 miljoen euro) | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Premiebijdragen | 253,7 | 308,3 |
| Pensioenopbouw | -260,9 | -239,4 |
| Premieresultaat | -7,2 | 68,9 |
De feitelijke premie is de totale premie die de werkgever en de werknemers betaalden. Het premieresultaat is de feitelijke premie min de directe en toekomstige kosten in de premie en min de actuariële kostprijs van de pensioenopbouw. Het voor de tijdsevenredige opbouw van de pensioenaanspraken benodigde bedrag is gebaseerd op de rentetermijnstructuur per 31 december 2025. Aangezien de rentetermijnstructuur lager ligt dan de gehanteerde verwachte rendementscurve is in 2025 het premieresultaat 7,15 miljoen euro negatief met een negatief effect op de dekkingsgraad van 0,6 procent (2024: 68,9 miljoen euro en 0,4 procent).
Premiedekkingsgraad
De premiedekkingsgraad geeft aan hoe de ontvangen premie zich verhoudt tot de inkoopkosten van de nieuwe pensioenopbouw in het betreffende jaar. De premiedekkingsgraad geeft ook aan of de ontvangen premie voldoende is voor de kosten van de nieuwe pensioenopbouw. De pensioenopbouw wordt gewaardeerd op basis van de voorgeschreven rentetermijnstructuur. Dat maakt dat de premiedekkingsgraad rentegevoelig is.
In 2024 hebben de sociale partners, om voor hen relevante overwegingen, geen instemming verleend met het voorstel van het bestuur om de premie voor 2025 zodanig vast te stellen dat de dekkingsgraad niet zou worden aangetast. Als gevolg hiervan heeft het bestuur de premie moeten vaststellen op 18,3%, wat bijgedragen heeft aan de premiedekkingsgraad in 2025 van 97,3 procent (2024: 128,6 procent).
Hoogte premies
In de tabel hieronder staan de feitelijke premie, de gedempte kostendekkende premie en de zuiver kostendekkende premie. De feitelijke premie moet minimaal gelijk zijn aan de van tevoren vastgestelde benodigde gedempte kostendekkende premie. Met andere woorden: op het moment dat het bestuur de benodigde premie vaststelt, moet deze, naar beste inschatting, kostendekkend zijn. Achteraf kan het zo zijn dat de ontvangen feitelijke premie lager is dan de berekende gedempte kostendekkende premie. De belangrijkste oorzaken zijn een andere samenstelling van het deelnemersbestand en/of een andere verhouding tussen de pensioengrondslagsom en de pensioensalarissom. In het boekjaar valt de feitelijk ontvangen premie hoger uit dan de gedempte kostendekkende premie en daarmee is de feitelijke premie kostendekkend.
| Premieresultaat (bedragen x 1 miljoen euro) | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Zuiver kostendekkende premie | 310,6 | 286,2 |
| Feitelijke premie | 262,7 | 314,0 |
| Gedempte kostendekkende premie | 258,1 | 247,3 |
In paragraaf 6.4.7 van de jaarrekening staat een toelichting.
Resultaat wijzigingen rentetermijnstructuur (RTS)
We waarderen de voorziening pensioenverplichtingen met de rentetermijnstructuur (RTS), die maandelijks wordt gepubliceerd door DNB. De RTS verandert voortdurend, wat invloed heeft op de hoogte van de voorziening. Een hogere RTS leidt tot een lagere voorziening. Eind 2025 was de gemiddelde RTS 3,16 procent (2024: 2,17 procent). De voorziening pensioenverplichtingen daalde met 1.139,9 miljoen (2024: stijging van 123,6 miljoen) door deze stijging van de RTS. Hierdoor steeg de dekkingsgraad met 19,8 procent (2024: daling van 1,9 procent).
Effect beleggingsresultaat (inclusief renteafdekking)
| Beleggingsresultaat (bedragen x 1 miljoen euro) | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Beleggingsresultaten | 352,3- | 667,2 |
| (direct en indirect, na aftrek kosten vermogensbeheer) | ||
| Rentetoevoeging voorziening pensioenverplichtingen | 184,3- | 251,2- |
| Beleggingsresultaat | 536,6- | 416,0 |
In 2025 was het beleggingsresultaat 536,6 miljoen euro negatief. Dit had een negatief effect van 8,7 procentpunt op de dekkingsgraad (2024: 416,0 miljoen euro positief en stijging van 4,9 procentpunt). In paragraaf 2.1.4 staat een toelichting op het beleggingsresultaat.
Effect wijziging grondslagen
De Technische Voorziening (TV) voor risico fonds is bepaald met overlevingskansen op basis van de AG-Prognosetafel 2024. In 2024 pasten we deze tafels aan met de fondsspecifieke ervaringssterfte binnen onze populatie. Door het toepassen van de AG-Prognosetafel 2024 hanteert ons fonds de meest recente inzichten over de Nederlandse bevolkingssterfte en houdt het rekening met de voorzienbare trend in de overlevingskansen. In 2026 worden deze in overeenstemming met het beleid van ons pensioenfonds opnieuw onderzocht.
Aanpassingen in de (overige) grondslagen hebben in 2025 geleid tot een stijging van 9,11 miljoen euro in de pensioenverplichtingen (2024: een stijging van 44,38 miljoen euro in de pensioenverplichtingen, voornamelijk door de actualisering van de overlevingskansen), wat resulteerde in een daling van de dekkingsgraad met 0,2 procent (2024: een daling van 0,7 procent).
Een uitgebreide toelichting op het effect van de wijzigingen van de grondslagen staat in paragraaf 6.4.3 bij punt 7 van de jaarrekening.
Resultaat toeslagverlening
Het bestuur besloot de pensioenen van de actieve deelnemers te verhogen per 1 januari 2026 (zie paragraaf 1.3.2). Hierdoor stegen de pensioenverplichtingen in 2025 met 216,76 miljoen euro en daalde de dekkingsgraad met 3,9 procent.
1.5 Pensioencommunicatie
Bij Pensioenfonds UWV draait pensioencommunicatie om duidelijkheid, vertrouwen en handelingsperspectief voor onze deelnemers en werkgevers. In 2025 lag de nadruk opnieuw op het tijdig en begrijpelijk informeren over de overgang naar de nieuwe pensioenregeling, het ondersteunen bij keuzes en het versterken van de relatie met ons fonds, passend bij het jaarthema Met vertrouwen vooruit.
Overgang naar een nieuwe pensioenregeling
Ook in 2025 stond onze communicatie in het teken van de voorbereidingen op de invoering van de nieuwe pensioenregeling onder de Wet toekomst pensioenen, met als geplande overgangsdatum 1 januari 2028. We informeerden deelnemers en gepensioneerden regelmatig over de voortgang via de themapagina “Blijf op de hoogte”, digitale nieuwsbrieven en webinars over de nieuwe regeling. Daarbij sloten we aan op de intensieve gesprekken met sociale partners, het opstellen van het implementatieplan en de voorbereiding van het communicatieplan ‘Inzicht in je nieuwe pensioen’ dat onderdeel uitmaakt van het implementatieplan. In onze communicatie maakten we steeds duidelijk welke stappen waren gezet, wat deelnemers wel en nog niet konden verwachten en hoe ons fonds zorgvuldigheid, evenwichtigheid borgt.
Keuzebegeleiding: Meer dan informeren
Keuzebegeleiding is sinds 1 juli 2023 een wettelijke verplichting en in 2025 heeft ons fonds hier verder vorm aan gegeven in beleid en praktijk. Vanuit het communicatiejaarplan lag de focus op zelfredzaamheid: deelnemers inzicht geven in hun pensioen, wijzen op hun keuzes en hen activeren als actie nodig is. We hebben bestaande campagnes doorgezet en verder benut, zoals de campagne Pensioenkeuze 55+.
Persoonlijke videogesprekken bleven een belangrijk middel: deelnemers konden laagdrempelig een gesprek plannen via de website en nieuwsbrieven, wat bijdraagt aan begrip, vertrouwen en het gevoel 'er niet alleen voor te staan' bij pensioenkeuzes. Deze gesprekken worden dan ook zeer hoog gewaardeerd met gemiddeld een score van 9,4. Daarnaast namen we in onze reguliere mailingen waar mogelijk concrete verwijzingen op naar planner, MijnOmgeving en ondersteunende tools, zodat deelnemers direct vanuit een bericht in actie kunnen komen.
1.5.1 Ons communicatiebeleid
1.5.1 Ons communicatiebeleid
Ons communicatiebeleid is opgebouwd rond vijf strategische pijlers: doelgroepgerichte communicatie, digitalisering, eenvoudig taalgebruik, samenwerking met de werkgever en voortdurende evaluatie én verbetering. We streven ernaar onze deelnemers handelingsperspectief te bieden en een sterke relatie met hen op te bouwen. Dit doen we door het vergroten van het inzicht in hun pensioensituatie, hen aan te zetten tot actie wanneer nodig, en door onze bereikbaarheid en betrouwbaarheid continu te verbeteren. We zien dat het loont. Uit onderzoek blijkt dat we in 2025 een 7,3 scoren op het gebied van vertrouwen. In 2024 was dat nog een 6,9.
Middelenmix en bereik van onze communicatie
In 2025 maakte ons fonds gebruik van een brede mix aan communicatiemiddelen, waarbij digitale kanalen een steeds grotere rol spelen. De communicatiekalender omvatte onder meer de kwartaalnieuwsbrieven, de januarimailing, UPO-mailingen voor actieven, slapers en gepensioneerden, themapagina’s op de website, populaire jaarverslagvormen, webinars, videogesprekken en het WhatsApp-panel. Ruim 80 procent van de actieve deelnemers, 70 procent van de gewezen en 82 procent van de gepensioneerden heeft een geregistreerd e-mailadres, waardoor digitale communicatie een groot bereik kent. Daarbij zien we ook een stijging van 10 procent in het aantal deelnemers dat MijnOmgeving bezoekt. De waardering voor de MijnOmgeving is dan ook hoog, deelnemers die inloggen omdat ze in het pensioenaanvraagproces zitten, geven de MijnOmgeving een 8+. In de nieuwsbrieven halen we structureel een hoge open rate, terwijl we tegelijkertijd testen met het verzendmoment, de lengte en het aantal items om de doorklikratio verder te verhogen. Via campagnes voor e-mailadresregistratie en bounce-campagnes hebben we de digitale bereikbaarheid verder verbeterd. Ook gebruikten we inzichten uit de activatie-index om gerichter te segmenteren en groepen met lage activatie extra aandacht te geven.
Luisteren naar deelnemers en optimaliseren
Ons fonds investeerde ook in 2025 in het meten en verbeteren van de effectiviteit van de communicatie. De klantbelevingsmonitor volgt doorlopend hoe deelnemers de belangrijkste dienstverleningstrajecten ervaren, zoals “Met pensioen gaan”, “Ik kom in dienst”, “Ik ga uit dienst”, “Ik ben arbeidsongeschikt” en klachtenafhandeling.
De activatie-index laat zien in welke groepen communicatie daadwerkelijk leidt tot online gedrag, zoals inloggen of het bekijken van pensioeninformatie. Deze bevestigde onder meer dat vrouwen gemiddeld minder vaak geactiveerd worden. Daarnaast werd duidelijk dat deelnemers met e-mailadres vaker in beweging komen dan deelnemers met een papieren voorkeur.
Het WhatsApp-panel voor gepensioneerden en actieve deelnemers leverde maandelijks kwalitatieve feedback op over onder andere MVB-communicatie, GUPO, Wtp, themapagina’s en webinars. Deze feedback gebruikten we om toon, timing en thema’s te verbeteren.
Op basis van deze inzichten scherpten we bijvoorbeeld de inhoud van Pensioen U aan, startten we in 2025 een aanvullend kwalitatief onderzoek onder gepensioneerden en kozen we ervoor om maatschappelijk verantwoord beleggen vaker thematisch en begrijpelijk in nieuwsbrieven terug te laten komen.
Vooruitblik op 2026
In 2026 staan een aantal grote thema’s op het programma. We starten met het bepalen van de keuzebegeleiding voor de nieuwe pensioenregeling vanaf 2028. Daarnaast scherpen we onze onderzoeksmethodes aan en bouwen we een campagne specifiek voor een doelgroep waarvan we zien dat die gemiddeld minder geactiveerd is.
In 2026 zijn de nieuwe regels voor pensioen een belangrijk onderwerp van onze communicatie-uitingen. Hoewel we nog geen persoonlijke financiële informatie aan onze deelnemers en gepensioneerden kunnen geven, houden we hen vanzelfsprekend wel op de hoogte van deze transitie op 1 januari 2028. Voor enkele specifieke doelgroepen of onderwerpen is wel al specifieke informatie nodig in 2026, mede in het kader van keuzebegeleiding.
In 2026 ronden we het communicatieplan ‘Inzicht in je nieuwe pensioen’ (onderdeel van het implementatieplan) af. en bieden we dit aan bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
1.5.2 Klachten en geschillen
1.5.2 Klachten en geschillen
Alle (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden kunnen klachten of geschillen bij ons melden. Informatie over de klachten- en geschillenregeling staat op onze website: www.uwvpensioen.nl. Meer informatie over de klachtenprocedure is te vinden op www.uwvpensioen.nl/klacht-indienen.
Ons fonds heeft in totaal 555 klachten behandeld in 2025. Voor 2* van de 555 klachten is na afhandeling van de klacht een beroep (vervolgklacht) ingediend bij de Commissie van Beroep (CvB).
In Q1 en Q2 van 2025 zijn er meer klachten geweest dan in Q1 en Q2 van 2024. In Q1 en Q2 in 2024 waren er in totaal maar 43 klachten en er waren 235 klachten in Q1 en Q2 van 2025. Een groot deel (235) daarvan heeft betrekking op de categorie pensioenberekening en – betaling en het proces ouderdomspensioen aanvragen.
Over het digitale proces tot het aanvragen van pensioen is in Q1 en Q2 vaker geklaagd. Er waren meerdere storingen bij TKP. TKP heeft dat zelf ook geconstateerd en stuurt nadrukkelijk op de verbetering van de toegankelijkheid en functionaliteit van de online pensioenaanvraag en planner.
Verder is er in Q2 64 keer geklaagd door een incident bij TKP. Het ging om klachten van deelnemers die notificaties ontvingen dat het Uniform Pensioenoverzicht uit echtscheiding klaarstond. De betreffende deelnemers waren echter niet gescheiden en beklaagden zich daar (terecht) over. TKP heeft de fout ingezien en zelf gemeld.
| Behandelde klachten per kwartaal | Q1 2025 | Q2 2025 | Q3 2025 | Q4 2025 | Totaal 2025 |
|---|---|---|---|---|---|
| Schriftelijke klachten | 24 | 30 | 26 | 48 | 128 |
| Telefonische klachten | 132 | 129 | 88 | 78 | 427 |
| Beroepszaken CB | 2 |
Klachten naar AFM-rubricering
Hieronder volgt een overzicht van de klachten en geschillen van ons fonds naar AFM-rubricering.
| Rubrieken klachten | Schriftelijke klachten | Telefonische klachten | Geschillen bij de CvB |
|---|---|---|---|
| Service en klantgericht | 1 | 5 | 0 |
| Behandelingsduur | 0 | 2 | 0 |
| Informatieverstrekking | 14 | 23 | 1 |
| Deelnemersportaal | 17 | 30 | 0 |
| Keuzebegeleiding | 0 | 0 | 0 |
| Pensioenberekening en -betaling | 51 | 290 | 1 |
| Registratiewerknemersgegevens/datakwaliteit | 4 | 21 | 0 |
| Toepassing wet- en regelgeving: algemeen | 9 | 30 | 0 |
| Toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie | 16 | 9 | 0 |
| Financiële situatie | 14 | 9 | 0 |
| Duurzaamheid | 2 | 0 | 0 |
| Overig | 0 | 8 | 0 |
| Totaal | 128 | 427 | 2 |
Uitleg bij de telling
- Voor het totaal aantal klachten is gekeken naar de klachten die in 2025 zijn afgehandeld.
- Wanneer een deelnemer nog een schriftelijke of telefonische klacht over hetzelfde onderwerp) indient, wordt de klacht als één klacht geteld.
- De klacht telt zowel mee in het aantal klachten als beroepszaken CvB.
Jaarlijkse pensioenoverzicht
TKP heeft vanaf 2012 tot 2025 geen jaarlijkse pensioenoverzichten (UPO's) verstrekt in het jaar van pensionering aan deelnemers om verwarring bij (aanstaande) gepensioneerden over de hoogte van de (aanstaande) pensioenuitkering te voorkomen. Hiermee werd aan deze deelnemers echter wettelijk verplichte informatie (zoals de factor A en vanaf 2017 de betaalde premies) onthouden (artikel 38 jo. 48 Pensioenwet) tenzij daar nog apart om gevraagd werd door de deelnemer.
TKP heeft hiervoor vanaf 2025 herstelmaatregelen genomen door de werkwijze aan te passen. Ook deelnemers die in 2025 met pensioen gaan, ontvangen een UPO over het voorgaande jaar. Dit gebeurt aanvullend op de reguliere communicatie over pensionering. De verzending vindt uiterlijk plaats op 30 september 2025, waarmee TKP binnen de wettelijke termijn blijft.
In juli 2025 zijn zowel de AFM als DNB hierover geïnformeerd. Beide toezichthouders, de AFM (in november 2025) en DNB (in juli 2025), hebben aangegeven de melding en uitleg over de ondernomen (herstel)maatregelen te hebben ontvangen. Zowel de AFM als DNB zagen geen aanleiding voor een nadere (re)actie.
Gerealiseerde verbeteringen
In 2025 zijn de volgende verbeteringen gerealiseerd:
Wijziging in samenstelling CvB
Vanaf 11 oktober 2024 was er al een vacature voor een lid van CvB namens deelnemers. Een voordracht voor een lid namens deelnemers door de OR vond reeds in 2024 plaats en begin 2025 was de Commissie van Beroep weer op sterkte. De samenstelling van de Commissie van Beroep is in 2025 als volgt gewijzigd. Er is zowel een nieuwe voorzitter, als een nieuwe vertegenwoordiger namens de werknemers en een nieuwe vertegenwoordiger namens de werkgever benoemd. Daarnaast heeft de CvB een nieuwe secretaris en is er ook een plaatsvervangende secretaris gekomen.
Klachtenbeleid op basis van richtlijn ‘Goed omgaan met klachten’
De gedragslijn Goed omgaan met klachten is op 14 juni 2022 geïntroduceerd in de pensioensector. De belangrijkste 3 verbeteringen die ons fonds doorgevoerd heeft naar aanleiding van de gedragslijn zijn:
- de afhandelingstermijnen zijn verkort,
- het klachtenbeleid is vastgesteld.
- de termen ‘geschil’ en ‘klacht’ zijn gewijzigd conform de gedragslijn.
Stichting Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP)
Hoewel GIP al vanaf 1 januari 2024 van start gegaan is, komen er bij het GIP nog weinig geschillen binnen die samenhangen met de WTP en/of het invaren van pensioenen. Wel neemt het aantal vragen over de WTP toe, met name over de compensatieregelingen bij de pensioenfondsen. Ook ons fonds heeft nog geen geschil gehad dat in behandeling geweest is bij GIP.
Klantgericht
De feedback vanuit de klachtsignalen / klachten is gebruikt om de dienstverlening te verbeteren. Toen er klachten waren over de toegankelijkheid van het deelnemersportaal, het digitale platform van ons fonds, is daarover gesproken met de pensioenuitvoerder en zijn verbeteringen gerealiseerd. Ook in 2025 zijn er 3 webinars georganiseerd over de belangrijkste onderwerpen van de nieuwe pensioenregeling. Net als in 2024 was ook voor de webinars in 2025 veel belangstelling en de webinars kregen een hoge waardering.
1.6 Externe ontwikkelingen
Ook in 2025 was de toekomst van het pensioenstelsel een belangrijk onderwerp. In deze paragraaf noemen we de belangrijkste ontwikkelingen.
1.6.1 Wet toekomst pensioenen
1.6.1 Wet toekomst pensioenen
Zoals in paragraaf 1.1.2 vermeld heeft de wetgever in december 2025 de uiterste datum voor de overgang naar de nieuwe pensioenregeling verschoven van 1 januari 2027 naar 1 januari 2028. De uiterste datum is ook niet meer opgenomen in de wet maar in een AMvB, zodat het eenvoudiger is voor de Minister om, indien nodig, deze datum verder op te schuiven.
De uiterste datum voor het indienen van het implementatieplan is ook aangepast. Dit was 1 juli 2026, maar is nu dynamisch gemaakt. Een implementatieplan moet ingediend zijn 12 maanden voor de beoogde overgangsdatum naar de nieuwe pensioenregeling. Wij moeten ons implementatieplan dan ook uiterlijk 31 december 2026 indienen.
Ook heeft de Minister het opnieuw mogelijk gemaakt voor de fondsen die overgaan naar de nieuwe pensioenregeling om bij de jaarlijkse pensioenverhoging gebruik te maken van versoepelde regels. Dit is geregeld in de zogenaamde derde indexatie-AMvB. Dit is verder toegelicht in paragaaf 1.3.2.
Op 19 december is ook de AMvB ‘verzamelbesluit pensioentransitie 2025’ gepubliceerd. Deze AMvB bevat wijzigingen in de bestaande wetgeving die ervoor zorgen dat pensioenuitvoerders beter en efficiënter uitvoering kunnen geven aan de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. De belangrijkste twee wijzigingen zijn:
- De bepalingen over hoe en hoelang van het vastgestelde beleggingsbeleid mag worden afgeweken in de overgang naar het beleggingsbeleid dat is vastgesteld voor de nieuwe pensioenregeling. Dit om te voorkomen dat alle fondsen die op eenzelfde datum overgaan op de nieuwe regeling direct na overgang hun beleggingsportefeuille daarop aanpassen. Dit zou duurder voor de fondsen zijn, dan geleidelijk hun portefeuille aanpassen naar de nieuwe situatie. Ons fondsbestuur besluit in 2026 over het transitiebeleid vermogensbeheer.
- Als een fonds een eigen vermogen heeft dat lager is dan het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV) moet een fonds volgens de huidige bepalingen in de Wtp het eigen vermogen direct* aanvullen door het verlagen van alle pensioenpotjes van de deelnemers. Hier komt een tweede mogelijkheid bij: aanvullen vanuit de solidariteitsreserve. Met als extra bepaling dat als een fonds de eerste methode gebruikt de ingegane pensioenen, die daardoor lager worden, niet mag aanvullen vanuit de solidariteitsreserve. Een voorwaarde om van deze nieuwe mogelijkheid gebruik te kunnen maken is dat dit vooraf is geregeld in de uitvoeringsovereenkomst die is afgesloten tussen de werkgever en het fonds. Met de werkgever is afgesproken om dit in de nieuwe (Wtp) uitbestedingsovereenkomst op te nemen.
* Het eigen vermogen moet dan twee jaareindes achter elkaar te laag zijn. De pensioenuitkeringen kunnen niet eerder verlaagd worden dan drie maanden na communicatie aan de deelnemers.
1.6.2 Uitkering van een deel van het pensioenvermogen ineens
1.6.2 Uitkering van een deel van het pensioenvermogen ineens
Het is de bedoeling dat deelnemers die met pensioen gaan, straks maximaal 10 procent van de waarde van hun pensioen als bedrag ineens kunnen laten uitkeren. De wetgeving hiervoor is al verschillende keren uitgesteld. In het wetsvoorstel staat dat deelnemers alleen bij pensioeningang een bedrag ineens kunnen laten uitkeren.
Een wetswijziging moet nu mogelijk maken dat dit ook in de maand januari ná de pensioeningang kan. Het was de bedoeling dat de mogelijkheid om een bedrag ineens op te nemen, vanaf 1 juli 2024 zou ingaan. Deze datum is politiek niet haalbaar gebleken. De Tweede Kamer heeft op 8 oktober 2024 ingestemd met het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel moet echter nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer. Eind maart 2026 is de beoogde ingangsdatum wederom uitgesteld naar 1 januari 2029. De kans is aanwezig dat deze datum opnieuw wordt uitgesteld.
Ons pensioenfonds is, zo veel als mogelijk op basis van het huidige wetsvoorstel, gereed met de voorbereidingen om onze processen, administratie en communicatie aan te passen voor het moment dat het wetsvoorstel ingaat.
1.6.3 Digital Operational Resilience Act
1.6.3 Digital Operational Resilience Act
Met ingang van 17 januari 2023 is de Europese verordening ‘Digital Operational Resilience Act’ (DORA) van kracht geworden. Deze verordening heeft als doel om op uniforme wijze binnen de (Europese) financiële sector de digitale operationele weerbaarheid te verhogen. Instellingen hadden twee jaar de tijd om zich voor te bereiden.
Ons fonds voldeed al aan diverse richtlijnen vanuit nationaal en Europees niveau, zoals de DNB Good Practice Informatiebeveiliging en verschillende uitbestedingsrichtlijnen. De focus lag in 2025 dan ook op de implementatie van de aanvullende vereisten vanuit de DORA-regelgeving.
Per 17 januari 2025 voldeed het fonds niet volledig aan de DORA-regelgeving. DNB is hierover geïnformeerd. Ons fonds heeft daarbij aangegeven uiterlijk eind maart 2025 volledig aan de vereisten te zullen voldoen. Eind maart 2025 zijn de aanvullende vereisten succesvol geïmplementeerd en sindsdien voldoet ons fonds volledig aan de DORA-regelgeving.
